Liegbeest

Ik kan ontzettend goed liegen. Ik doe het bijna de hele dag door: tegen kennissen, vrienden, m’n zus, de pastor, mijn vriend. Ik leid ze allemaal om de tuin.
“Hoe gaat het?” vragen ze.
“Ja, goed!” zeg ik. En mooi, daarmee is de kous af. Vaak gaat het helemaal niet zo goed, maar praten over mijn problemen doe ik gewoon niet graag. Liegen is makkelijker en of ze mijn vrolijke blik nu geloven of niet, niemand vraagt door en ik kom er mee weg.

Het is beter zo, vind ik. Niemand houdt ervan om nare verhalen te horen. En positief blijven is het beste, toch? Bovendien merk ik al gauw dat de interesse afneemt naarmate mijn burn-out langer duurt. Kleine problemen vertellen we elkaar allemaal wel en daar hebben we wederzijdse belangstelling voor. Maar wat als je maanden, of zelfs jaren nodig hebt om beter te worden?

Het is ook een stukje zelfbescherming, vertel ik mezelf. Niet iedereen hoeft precies te weten wat er in mij omgaat. Sommige dingen hou ik graag voor mezelf. Laat mij maar lekker. En zo modder ik een tijdje door. Mijn burn-out wordt niet beter. Ik verstop steeds meer. Ik vertel steeds minder. En dan kan ik op een dag mijn trui niet vinden en gaat het helemaal mis.

Ik raak zo erg in paniek dat ik nog steeds niet helemaal gekalmeerd ben als mijn vriend thuiskomt van zijn werk. Bibberend zit ik in een stoel. Ad heeft onmiddellijk door dat ik niet in orde ben en terwijl hij me stevig vasthoudt, komt alles eruit: “De muren komen zo op me af, Ad. Ik zit al weken op de bank en ik voel me niet ziek, maar nóg kan ik niks. Ik was een kandidaat-notaris, maar ik voel me nu zo nutteloos. Er zijn dagen dat ik me echt verschrikkelijk voel. Dat ik liever voor altijd zou gaan slapen. Ik vind het moeilijk om genoeg te eten. En soms zit ik urenlang wiebelend op de bank omdat ik zo nodig moet plassen, maar mezelf niet naar de wc gesleept krijg.”

Ik schaam me verschrikkelijk voor alles wat ik zeg. Maar de eerlijkheid brengt ook een enorm gevoel van bevrijding met zich mee. Ad hoort het allemaal gewoon aan. Er is maar weinig dat mijn stoere, stoïcijnse vent van zijn stuk brengt en er is niets dat ik kan doen dat maakt dat hij niet meer bij mij wil blijven. Ik weet dat ook wel. En nu ik het verteld heb, weet ik niet meer waarom ik het allemaal achterhield.

Ad confronteert me daarmee: “Waarom zeg je daar nou niks van?” vraagt hij. “Waarom vertel je niets?”
Ik haal mijn schouders op, maar ik weet best waarom. Het is mijn trots. Dezelfde trots die me dwarszat bij de puppycursus. Ik wil graag alles perfect doen. En al weet inmiddels bijna iedereen dat ik een burn-out heb, ik geef nog steeds niet graag toe dat ik niet alles in de hand heb.

Samen bedenken we een goede, werkzame oplossing, en mijn vriend is streng voor me: “Ik wil dat je bij de volgende sessie bij de psycholoog wel even eerlijk bent. Want als zelfs zij niet weet hoe het gaat, kan ze je ook niet helpen.”
Argwanend kijkt hij me aan. “Of zal ik anders met je meegaan?”
“Neuh, da’s niet nodig,” mompel ik, maar dan realiseer ik me dat ik het mezelf weer makkelijk maak om dingen achter te houden. “Alhoewel… misschien is dat wel slim.”
Er moet iets gebeuren, voel ik. Ik kan niet langer doorgaan met mezelf op te sluiten. Er is niemand die me kan helpen in dat donkere plekje – en als ik écht weer beter wil worden, dan zal ik ook moeten leren om aan te geven wanneer ik iets niet aan kan, wanneer ik hulp nodig heb, en wat er niet goed gaat.

Uiteindelijk geeft mijn nieuwgevonden eerlijkheid me een enorme boost en ga ik toch alleen naar de psycholoog. Nadat ik mijn hart gelucht heb en haar eerlijk het hele verhaal vertel, geeft ze me een opdracht. Ik moet een paar mensen uit mijn omgeving instrueren dat makkelijke antwoord niet langer van mij te pikken. Zij moeten me dwingen om eerlijk te zijn, mijn trots opzij te zetten en mijn hart open te stellen door me elke keer drie opvolgende vragen te stellen wanneer ik zeg dat het goed gaat. Ik moet gaan uitleggen waaróm het goed gaat, zodat ik minder kans krijg om oneerlijk te zijn. Zo leer ik vanzelf om bij de juiste personen in alle eerlijkheid over problemen te praten.

Ik krijg er bij voorbaat al vreselijk de kriebels van, maar ik voel me ook opgelucht. Laat het maar gebeuren, denk ik. Zelfs al stroomt alle ellende zó naar buiten. Je zit er in ieder geval niet meer alleen mee. En pas dan realiseer ik me hoe ontzettend eenzaam ik ben geworden door mijn eigen oneerlijkheid.

Ik vraag me daarna ook af: hoeveel mensen als ik zouden er zijn? Hoe vaak zegt iemand tegen míj dat het goed gaat, terwijl ze ook wel even haar hart zou willen luchten? Hoe vaak neem ik genoegen met gewoon “Goed, hoor!”, terwijl ik best even verder zou kunnen graven?
Kent niet iedereen dit? Hoe diepgaand zijn de gesprekken die je vandaag gevoerd hebt? Wat nou als we wat meer doorvragen? Stel nou dat we allemáál bij de volgende keer dat iemand zegt: “Ja, gaat goed,” minstens drie opvolgende vragen stellen?

“Ja, gaat goed, hoor.”

“Oja? Vertel.”
“Fijn! Goed geslapen, ook? Is in je hoofd alles rustig? Hoe is het met je piekergedachten?”
“Vertel me eens wat er vandaag allemaal is gebeurd?”

Ik stel voor dat je gewoon iets verzint. Dat we gaan doorvragen en geen genoegen meer nemen met ‘goed’. Goed is te makkelijk; voor mij, voor jou en voor de ander. Laten we elkaar stimuleren om échte gesprekken te voeren en eerlijk te zijn over wat er in ons omgaat. You could save a life – especially your own.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s