Trots

Ik kan aan het eind van dit jaar wel vaststellen dat 2017 geen daverend succes geweest is voor mij. Een burn-out is wel het laatste waarmee ik het nieuwe jaar zou willen inluiden. Maar afijn, het zij zo – en ondanks alle tegenslag, moeilijke dagen en verlies aan productiviteit, kan ik toch trots zijn op mezelf.
Ik ben er nog. Ik durf voorzichtig met optimisme uit te kijken naar het nieuwe jaar. Dat is iets, en dat is waardevol.

Ik hou erg van terugkijken en goede voornemens schrijven – Oud en Nieuw is mijn favoriete evaluatiemoment. Wat is er eigenlijk allemaal gebeurd dit jaar? En wat hoop ik voor 2018? Ik hou óók van lijstjes maken en dit is mijn favoriete lijstje: dit is het lijstje van projecten uit 2017 waar ik trots op ben.

#1: Max

Ah, Maxie.
Max is een beetje de verrassing van 2017. Vriendlief en ik wilden pas aan een hond beginnen wanneer we tijd en aandacht aan de opvoeding van de pup konden geven. Dus toen de diagnose van mijn burn-out werd gesteld en bleek dat ik een lange poos op de bank moest blijven zitten, hebben we gelijk de knoop doorgehakt.

Max is een rescue die helaas bij een broodfokker vandaan komt. De nieuwe puppy zou mijn happiness project worden, maar werd in plaats daarvan een zorgenkindje, dat pas na vier kuren antibiotica en ontstekingsremmers, een heel flesje thijmsiroop en véél aandacht en liefde gezond werd en ging groeien.

Nu is het een sterke, vrolijke hond met grote honger, die het liefst de hele dag met zijn knuffels speelt. Ik heb moeten leren om op mijn intuïtie te vertrouwen: ik ben heel goed in staat om voor een (zieke) hond te zorgen en hoef niet te luisteren naar de stemmetjes in mijn hoofd die me continu aansporen om méér te doen, beter op te letten en er alles aan te doen dat Max niet door mijn schuld dood zou gaan.
‘Het komt allemaal wel goed,’ zegt mijn vriend altijd. En kijk nou toch…

#2: Lapjesdeken

Ik ben een creatieve duizendpoot en probeer het liefst elke week iets anders uit. Mijn perfectionisme zorgt er vaak voor dat ik halverwege afhaak: waarom zou ik iets afmaken als het niet perfect wordt? Ik ben nooit tevreden, heel veel projecten blijven onafgemaakt liggen en ik geloof steeds meer dat ik niks kan.

De lapjesdeken is een fijne breuk in die cyclus. Ik kocht tien zachte bollen wol bij de Zeeman, zette mijn eerste steken op en begon er maar gewoon aan. Ik was burned out, ik kon mijn huis niet meer uit, maar breien, dat ging wel. En stukje bij beetje groeide mijn deken, mijn zelfvertrouwen en mijn plezier in het project.

13 bollen wol, 77 lapjes, 150 uur werk: hij is niet perfect, mijn deken. Maar hij is wel heel mooi, lekker warm en heerlijk zacht. En het allerfijnst: hij is van mij. Ik heb ‘m afgemaakt.

#3: Lezen

Lezen is mijn superpower en boeken zijn mijn favoriete woondecoratie. ‘BOEKEN OVERAL’ is mijn missie. (De realitieit is: ik woon niet alleen, dus BOEKEN OP ZOLDER. Maar daar heb ik dan wel mijn eigen bibliotheekje, dus dat is ook goed.) Zoals elk jaar zet ik in januari 2017 op het social medium Goodreads een challenge voor mezelf: 50 boeken lezen. Grofweg een boek per week. Dat is hoe dan ook haalbaar voor mij.

Daarna volgt ontslag en een burn-out, en heb ik plots zeeën van tijd. Al in juli haal ik de grens van 50 boeken en alles wat ik in de tweede helft van het jaar kan lezen is winst. Misschien moet je je challenge bijstellen, fluistert een stemmetje. Je moet makkelijk de 100 kunnen halen nu. Of zelfs 150, want die eerste 50 heb je tijdens je werkzame periode gelezen en nu ben je werkloos. Of misschien nog meer. Je moet meer. Méér.

Tot in de laatste week van dit jaar voer ik het gevecht met mezelf. Ik spreek het stemmetje streng toe: ‘Ik lees voor mijn plezier. Ik daag mezelf uit met 50 boeken per jaar omdat ik dat leuk vind. Mijn waarde is niet afhankelijk van hoeveel boeken ik lees, en elk aantal is genoeg. Elk aantal is genoeg. 

80 boeken is het uiteindelijk. Toch trots op: omdat dat veel is en omdat het voldoende is. Ik heb mezelf succesvol tegen elke vorm van druk verdedigd.
80 is genoeg – ík ben genoeg.

#trotsopmezelf

Liegbeest

Ik kan ontzettend goed liegen. Ik doe het bijna de hele dag door: tegen kennissen, vrienden, m’n zus, de pastor, mijn vriend. Ik leid ze allemaal om de tuin.
“Hoe gaat het?” vragen ze.
“Ja, goed!” zeg ik. En mooi, daarmee is de kous af. Vaak gaat het helemaal niet zo goed, maar praten over mijn problemen doe ik gewoon niet graag. Liegen is makkelijker en of ze mijn vrolijke blik nu geloven of niet, niemand vraagt door en ik kom er mee weg.

Het is beter zo, vind ik. Niemand houdt ervan om nare verhalen te horen. En positief blijven is het beste, toch? Bovendien merk ik al gauw dat de interesse afneemt naarmate mijn burn-out langer duurt. Kleine problemen vertellen we elkaar allemaal wel en daar hebben we wederzijdse belangstelling voor. Maar wat als je maanden, of zelfs jaren nodig hebt om beter te worden?

Het is ook een stukje zelfbescherming, vertel ik mezelf. Niet iedereen hoeft precies te weten wat er in mij omgaat. Sommige dingen hou ik graag voor mezelf. Laat mij maar lekker. En zo modder ik een tijdje door. Mijn burn-out wordt niet beter. Ik verstop steeds meer. Ik vertel steeds minder. En dan kan ik op een dag mijn trui niet vinden en gaat het helemaal mis.

Ik raak zo erg in paniek dat ik nog steeds niet helemaal gekalmeerd ben als mijn vriend thuiskomt van zijn werk. Bibberend zit ik in een stoel. Ad heeft onmiddellijk door dat ik niet in orde ben en terwijl hij me stevig vasthoudt, komt alles eruit: “De muren komen zo op me af, Ad. Ik zit al weken op de bank en ik voel me niet ziek, maar nóg kan ik niks. Ik was een kandidaat-notaris, maar ik voel me nu zo nutteloos. Er zijn dagen dat ik me echt verschrikkelijk voel. Dat ik liever voor altijd zou gaan slapen. Ik vind het moeilijk om genoeg te eten. En soms zit ik urenlang wiebelend op de bank omdat ik zo nodig moet plassen, maar mezelf niet naar de wc gesleept krijg.”

Ik schaam me verschrikkelijk voor alles wat ik zeg. Maar de eerlijkheid brengt ook een enorm gevoel van bevrijding met zich mee. Ad hoort het allemaal gewoon aan. Er is maar weinig dat mijn stoere, stoïcijnse vent van zijn stuk brengt en er is niets dat ik kan doen dat maakt dat hij niet meer bij mij wil blijven. Ik weet dat ook wel. En nu ik het verteld heb, weet ik niet meer waarom ik het allemaal achterhield.

Ad confronteert me daarmee: “Waarom zeg je daar nou niks van?” vraagt hij. “Waarom vertel je niets?”
Ik haal mijn schouders op, maar ik weet best waarom. Het is mijn trots. Dezelfde trots die me dwarszat bij de puppycursus. Ik wil graag alles perfect doen. En al weet inmiddels bijna iedereen dat ik een burn-out heb, ik geef nog steeds niet graag toe dat ik niet alles in de hand heb.

Samen bedenken we een goede, werkzame oplossing, en mijn vriend is streng voor me: “Ik wil dat je bij de volgende sessie bij de psycholoog wel even eerlijk bent. Want als zelfs zij niet weet hoe het gaat, kan ze je ook niet helpen.”
Argwanend kijkt hij me aan. “Of zal ik anders met je meegaan?”
“Neuh, da’s niet nodig,” mompel ik, maar dan realiseer ik me dat ik het mezelf weer makkelijk maak om dingen achter te houden. “Alhoewel… misschien is dat wel slim.”
Er moet iets gebeuren, voel ik. Ik kan niet langer doorgaan met mezelf op te sluiten. Er is niemand die me kan helpen in dat donkere plekje – en als ik écht weer beter wil worden, dan zal ik ook moeten leren om aan te geven wanneer ik iets niet aan kan, wanneer ik hulp nodig heb, en wat er niet goed gaat.

Uiteindelijk geeft mijn nieuwgevonden eerlijkheid me een enorme boost en ga ik toch alleen naar de psycholoog. Nadat ik mijn hart gelucht heb en haar eerlijk het hele verhaal vertel, geeft ze me een opdracht. Ik moet een paar mensen uit mijn omgeving instrueren dat makkelijke antwoord niet langer van mij te pikken. Zij moeten me dwingen om eerlijk te zijn, mijn trots opzij te zetten en mijn hart open te stellen door me elke keer drie opvolgende vragen te stellen wanneer ik zeg dat het goed gaat. Ik moet gaan uitleggen waaróm het goed gaat, zodat ik minder kans krijg om oneerlijk te zijn. Zo leer ik vanzelf om bij de juiste personen in alle eerlijkheid over problemen te praten.

Ik krijg er bij voorbaat al vreselijk de kriebels van, maar ik voel me ook opgelucht. Laat het maar gebeuren, denk ik. Zelfs al stroomt alle ellende zó naar buiten. Je zit er in ieder geval niet meer alleen mee. En pas dan realiseer ik me hoe ontzettend eenzaam ik ben geworden door mijn eigen oneerlijkheid.

Ik vraag me daarna ook af: hoeveel mensen als ik zouden er zijn? Hoe vaak zegt iemand tegen míj dat het goed gaat, terwijl ze ook wel even haar hart zou willen luchten? Hoe vaak neem ik genoegen met gewoon “Goed, hoor!”, terwijl ik best even verder zou kunnen graven?
Kent niet iedereen dit? Hoe diepgaand zijn de gesprekken die je vandaag gevoerd hebt? Wat nou als we wat meer doorvragen? Stel nou dat we allemáál bij de volgende keer dat iemand zegt: “Ja, gaat goed,” minstens drie opvolgende vragen stellen?

“Ja, gaat goed, hoor.”

“Oja? Vertel.”
“Fijn! Goed geslapen, ook? Is in je hoofd alles rustig? Hoe is het met je piekergedachten?”
“Vertel me eens wat er vandaag allemaal is gebeurd?”

Ik stel voor dat je gewoon iets verzint. Dat we gaan doorvragen en geen genoegen meer nemen met ‘goed’. Goed is te makkelijk; voor mij, voor jou en voor de ander. Laten we elkaar stimuleren om échte gesprekken te voeren en eerlijk te zijn over wat er in ons omgaat. You could save a life – especially your own.

Niks roer om

Sinds ik een burn-out heb, lijk ik overal artikeltjes tegen te komen. Optimistische, inspirerende stukjes over mensen in hetzelfde schuitje als ik. Het roer om, een knop omdraaien, een burn-out is het beste dat je kan overkomen. Hup, gewoon eventjes de bezem erdoorheen! Daarna kun je beginnen aan het beste leven ooit, lees ik. Nou ja, okee. Klinkt goed. Doe mij dat ook maar, dan:

Anne besloot na een burn-out het roer om te gooien
“Gelukkig voelde ik me na een week of drie à vier weer goed.”
“Ik heb toen een knop omgedraaid,” zegt Andre Rieu
“De meest dankbare les die mijn burn-out me heeft geleerd.”
Burn-out: het beste dat je kan overkomen

Het verdrietige is dat mijn burn-out helemaal niet voelt als een inspirerende sabbatical of levensveranderende mini-vakantie. Mijn burn-out is het minst inspirerende dat ik ooit heb meegemaakt. Het zuigt me op sommige dagen helemaal leeg. Ik zit soms op de bank te janken omdat ik zo moe ben en ‘s avonds toch niet kan slapen van het piekeren.
Of omdat ik niet meer weet hoe je de vaatwasser in moet ruimen en hoe je moet beginnen aan de was.
Of omdat het UWV weleens een doolhof van ontbrekende informatie is en mijn concentratievermogen wel verdampt lijkt.
Of omdat ik op papier ik heel intelligent ben en als kandidaat-notaris mijn hand niet omdraaide voor het invullen van een formulier. Maar als je permanent het overzicht kwijt bent, zijn zelfs huishoudelijke klusjes intimiderend.
En af en toe kan ik om alles janken.

Al die artikeltjes en inspirerende voorbeeldverhalen zijn dan soms frustrerend. Ik ben daar nog helemaal niet. Mijn burn-out lost zich niet zo makkelijk op. Ik ben momenteel niet zo inspirerend. Waar blijft nou mijn dankbare les..? In een feel good film weet je zeker dat de hoofdpersoon er binnen anderhalf uur wel weer uitkomt. Ik weet soms niet eens zeker of er wel licht aan het eind van de tunnel is.

Het verschil tussen het beeld op internet en mijn realiteit maakt dat ik me weleens heel erg alleen voel in mijn lastige situatie. Zoveel mensen die hun burn-out tot iets moois gemaakt hebben, en ik zit hier te snotteren in mijn pyjama. Wat moet je daar nou mee?
“Mensen willen iets positiefs lezen, denk ik,” mijmert mijn vriend.
“Ja, lekker makkelijk,” mopper ik. “Maar een burn-out is helemaal niet positief. Ga toch fietsen met je roer om! Ik ben al blij als ik een beetje energie terugkrijg.”

Ik denk eerlijk gezegd dat ik niet de enige ben. Ik vermoed dat er veel meer mensen zijn (met of zonder burn-out) die zich verloren voelen omdat hun leven niet zo glamorous, inspirerend of makkelijk is als het plaatje op internet.
En kijk, ik ken jou… Ik herken waar je doorheen gaat en ik weet hoe moeilijk sommige dagen zijn. Ons roer is nog niet om, er is geen levensveranderend groot gebaar – en dat gaat misschien ook wel helemaal niet komen. Maar weet je? Dat is echt niet erg. Overleven is ook een vak, en je bent er nog! Dat is voor nu wel even genoeg.

En ik beloof: het komt nog wel goed. Overleven wordt weer leven. Soms geloof ik dat zelf ook nog niet, maar laten we elkaar eraan herinneren: alles werkt mee ten goede. Uiteindelijk kom je er aan de andere kant weer uit. En of je verhaal dan in een lifestyle magazine thuishoort of niet: het maakt deel uit van jouw levensverhaal. En dat is hoe dan ook het vertellen waard.

Lexa

“Max! Maaaaxieeee!” Ik sta voor Piet Snot te roepen. Mijn pup luistert voor geen meter. De rest van de puppyklas staat er een beetje bij te grinniken. Het is Max’ eerste keer en sjongejonge, wat maakt hij er nog een potje van.
“Het komt écht nog wel goed, hoor!” roept de trainster. Maar ik krijg het er warm van.
“Naar míj luistert ‘ie nou altijd,” grapt Ad.
“Ja, ha-ha,” mopper ik. En zijn goed bedoelde hand op mijn arm duw ik weg.

Achteraf in de auto blijft het een tijdje stil. Ik denk dat we er allebei over nadenken.
“Ik vind het best moeilijk dat jij er dan bij staat,” begin ik.
“Ja?” Ad klinkt verbaasd. “Maar waarom dan?”
Ik denk er even over na. Ik weet het niet zo goed. “Het was gewoon lastiger dan ik dacht,” mijmer ik. “En jij maakt grapjes tussendoor. Ik merk dat ik dan heel snel afgeleid ben.” Weer valt er een stilte in de auto.
“Maar dat verklaart nog niet waarom ik zo geïrriteerd was,” geef ik uiteindelijk toe.

“Ja!” zegt Ad onmiddellijk. “Die irritatie. Is dat iets dat aan jou ligt, of aan mij?”
“Dat ligt aan jou natuurlijk,” grinnik ik. Ad grijnst ook.
“Nee, maar serieus?” vraagt hij. “Waar ligt dat aan?”
“Het is gewoon frustrerend dat het zo lastig was. Lastiger dan ik had verwacht,” zeg ik.
“Ja, of is het misschien…” probeert Ad voorzichtig, “…dat iets niet in één keer goed gaat? En dat ik daar dan bij sta?”

Zodra hij het zegt, voel ik dat hij gelijk heeft, zoals je soms diep van binnen de waarheid vindt. Ik vond het verschrikkelijk dat ik zo stond te stuntelen met de pup terwijl het de anderen, en Ad, veel beter afging.
“Ik denk dat je gelijk hebt,” geef ik toe. Mijn stem klinkt een beetje wiebelig.
Ad knikt bedachtzaam. “Maar dat iets niet lukt, maakt niet uit – en dat weet je, toch?”
Ik staar voor me uit.

“Dit is jouw grootste probleem, denk ik,” gaat mijn vriend verder. “Dat móéten presteren, dat je overal de beste in moet zijn.”
“Ik hoef niet de beste te zijn!” werp ik tegen. “Of wel… maar da’s geen arrogantie.”
“Nee, dat weet ik ook, dat is jouw perfectionisme.” Ad glimlacht naar me. “Maar waaróm dan, schat?”
Ik zucht diep. Ik heb zo’n hekel aan wat er nu komt. Confronterende waarheden, tranen, bah. Maar ik kan het maar beter onder ogen zien:

“Ik ben bang dat mensen mij anders niet leuk vinden.”
En hop, daar ga ik al. Ik begin te huilen. Ad moet lachen en aait over mijn knie.
“Maar schat, dat is echt onzin! Je inzet is veel belangrijker, en hoe je bent! Ik heb ook een paar van die josties rondlopen op mijn werk. Die kunnen niks, maar die zijn wél heel aardig.”

Ik snotter gewoon door. “Ik denk dat ik toen ik opgroeide dat stukje heb gemist waarin iedereen leert dat ze okee zijn om wie ze zijn. En nu ben ik bang dat als iets me niet perfect lukt, mensen minder van me houden.”
Ad schudt z’n hoofd. “Nee joh. Je kent die reclame van Lexa toch? Wat jij niet perfect vindt aan jezelf, vindt de ander juist geweldig? Dat moet jouw nieuwe motto worden.”
Ik lach door mijn tranen heen. Ad pakt mijn hand en herhaalt het.
“Wat jij niet perfect vindt aan jezelf, vindt een ander juist geweldig.”

Ik knuffel een beetje tegen zijn arm aan en laat de tranen lopen. Dit soort dingen hebben tijd en werk nodig. Het is niet zomaar opgelost met een leuke slogan van Ad, maar dat helpt wel. Zijn grapjes en (zelfbedachte) motto’s krijgen me door lastige momenten heen. En zo kom ik telkens een stapje verder.
En leert mijn hond uiteindelijk om naar mij te luisteren. Hoop ik dan.

“Niemand is perfect. Maar dat is nu net wat ze leuk aan je vinden.”

Blij moe

“Morgen kom ik efkes een bakkie koffie drinken.”
Verbaasd kijk ik mijn schoonmoeder aan. Koffie? Dat doen wij bijna nooit. “En als ge ooit was hèt, dan moette da gewoon afgooien, hè.”
“Tuurlijk,” mompel ik, maar m’n was doe ik liever zelf. Dat zijn toch míjn onderbroeken. Ik wil überhaupt eigenlijk alles liever zelf doen. Ik zit nu toch hele dagen thuis. Maar koffie, gezellig.

’s Avonds in bed begint vriendlief ook over de was. “Moeten we misschien die berg die hier ligt morgen effe naar smam brengen?”
“Wat? Ons wasgoed?”
“Ja. Er ligt hier veel te veel. Smam kan daar mooi mee helpen.”
Plots ben ik wantrouwig. “Zeg, heb jij met je moeder over mij gepraat? Ze zei vanmiddag ook al iets over de was. En ze wil op de koffie komen.”
“Gezellig, toch? Ik heb even met haar staan praten over jou. Over hoe het gaat. En ze wil jou graag helpen.”

Voor ik het weet, glijdt er een traan over m’n wang. “Ja maar… ik kan dat toch zelf?”
“Schat, het duurt zo lang voor het gebeurd is…” fluistert hij lief. “En ik snap jou wel, maar het is gewoon niet bij te benen. Laat ons mam jou nou eens even fijn helpen.” Zachtjes veegt hij mijn tranen weg. “Je hebt niet gefaald, hè. Ons mam die vindt dat hélemaal niet erg.”
“Maar ik wil dat zélf doen,’ snik ik.
“Dat weet ik. Maar je kan het nu gewoon even niet alleen. En da’s geen falen.”

Ik vind het idee verschrikkelijk: mijn schoonmoeder wil mijn was doen omdat ik het niet kan. Terwijl ik nota bene thuis zit en zij de hele dag druk bezig is. Ik wil iets zeggen over zelfstandigheid en grenzen aangeven, maar dan dringen de woorden van mijn vriend tot me door. Misschien is dit inderdaad wel goed. En zit het probleem niet zozeer in de voortvarendheid van mijn schoonmoeder, maar in mijn moeite met hulp vragen.

“Ha!” roept ze de volgende dag, terwijl ze zichzelf binnen laat. “Eerst koffie en dan zal ik jou eens even helpen.” Voor ik het weet heeft ze mijn gordijnen afgehaald – “Zo, die moeten nodig uitgewassen” – en de kussens van de bank gestofzuigd. Mijn puppy springt er vrolijk tussendoor. “Néé Max, da’s geen speelgoed voor jou!” Ik sta erbij en kijk ernaar en weet niet zo goed wat me overkomt. Ze zou toch alleen de was komen doen?

Schoonmoeder stoft alles wat ze tegenkomt en werkt de rondslingerende schoenen weg. Ze herschikt de voorraadkast in de kelder en verzamelt alle was in huis. Drie grote waszakken verdwijnen in de achterbak van haar busje. Terwijl Max er stiekem vandoor gaat met de plumeau, heeft ze mijn grote woonkamer binnen mum van tijd helemaal gestofzuigd. Een klus waar ik al weken tegenop zie, omdat het oppervlak zo groot is.

“Ge moet pósitieve dingen denken,” zegt ze als we even buiten zitten voor haar sigaretje. “Ge moet nie meer denken aan alles wa oe is aangedaan bij oe ouwe werk. Kijk, da’s nu verleden en nu hedde een groot huis en een hatstikke leuk hondje. En ge hèt ut hier goed en ook qua geld, hè. Dáár moette gij aan denken nu. En dan ga ik jou eens efkes helpen hierbinnen. Kijk, en dan bende dalijk wel móé, maar blij moe.”

Samen zijn we in totaal slechts twee uurtjes bezig. Maar daarna zijn ook de badkamer en de wc gesopt en is de keuken afgenomen. Overal is gestofd en gezogen en zijn spulletjes opgeruimd. Uiteindelijk verdwijnt ze, met nog een laatste wasmand en een boodschappentas met mijn gordijnen, door de voordeur. “En als ge me nog es nodig hèt, gewoon zeggen, hè!”

“Komt goed! Dankjewel, hè!” roep ik haar na. Een beetje beduusd ga ik stilletjes op de bank zitten. Alles om me heen is schoon en opgeruimd. In de bijkeuken zoemt de wasmachine en in de keuken staat de vaatwasser aan. Max ligt buiten tevreden op een tak te knagen. Ze had gelijk, mijn Brabantse schoonmoeder. Ik ben heel erg moe. Maar blij moe.